PUBLIEK ZOEKT HOUVAST IN SNEL VERTELDE VERHALEN

Door Irit van der Veldt

Een stuk over een zoektocht naar houvast en zingeving. Daarover gaat de monoloog God kom(t) terug van Hajar Fargan met als belangrijkste vraag: Wat gebeurt er wanneer je verlangt naar iets waarin je niet zomaar kunt geloven. In 60 minuten toont ze haar zoektocht en nodigt het publiek uit mee te denken.

En God sprak: Er zij licht!  En er was licht! Zo ook na vijf minuten in Frascati op 16 oktober aan het begin van de voorstelling God kom(t) terug door Hajar Fargan. Maar als het licht wordt, komen de verhalen pas echt op gang én de chaos.

De Marokkaanse Hajar Fargan (1997) is jaloers op mensen die kunnen geloven. Vooral op de moed om zich over te geven aan iets wat ze niet zeker weten. In haar nieuwe voorstelling God kom(t) terug, haar debuut bij Frascati Producties, onderzoekt ze die spanning tussen verlangen, twijfel en verwondering (vdlg, 2026).

Tijdens Wonderfeel 2026 vroeg Fargan de Nederlands Algerijnse Kenza Koutchoukali (1988) voor de eindredactie van deze monoloog. Koutchoukali gelooft in verhalen die je uitnodigen je in de ander te kunnen verplaatsen. Met haar zoektocht naar “radicale empathie” levert zij haar emotionele bijdrage aan het stuk.

Hajar Fargan vertelt in God kom(t) terug verhalen over haar jeugd. Ze tonen haar zoektocht naar houvast. Vindt ze die op de Koranschool, bij haar moeder of bij haar zelf? Tijdens de voorstelling vraagt ze het publiek mee te denken. Pilaren van bliksem aan het begin en aan het eind van de voorstelling geven het geheel een kader.

Hajar vertelt snel en veel. Ze vertelt over haar jeugd in Marokko toen ze tien was en er bliksem was en haar moeder haar meetrok naar een veilige plek. Ze vertelt over haar jeugd in Marokko, ze was 7; ze wilde naar een koranschool en ging; tegen de wil van haar ouders. Het viel tegen; ze kreeg geen contact met “de mensen van wie ze dacht dat dat haar vrienden waren.” Ze vertelt over spelletjes met haar broer met wie ze zoekt naar haar identiteit waarna ze door haar moeder wordt bestraft: “God ziet alles”, was haar commentaar, “je moet je schamen”. “Maar waarom moet ik mij schamen voor iets dat alles ziet”, was Fargans antwoord. Ze was 7. Ze vertelt over een kennis die als kassière werkt bij een supermarkt en die Fargan meenam naar de medewerkersruimte achterin de winkel. Ze liepen langs de schappen met verpakte rucola en kool. De kennis, zo vertelde Fargan, was moslima geworden en er zienderogen trots op. Tijdens hun supermarkttour wees de kersverse moslima op een flikkerende Tl-buis met flonkerende ogen.

Fargan vertelt veel en snel en kritisch. Waarom moet ik buigen voor iets dat mij ziet en wie ben ik dan? En wat is dat gat tussen mij en mijzelf? “Ik wou dat ik iets had om me aan vast te houden maar zou dat iets in jezelf zitten?” Als kijker zoek je naar houvast in de vele vragen en snelle en compacte verhalen. En het publiek doet mee, want krijgt vragen.

Gelukkig is er ook humor want Fargan vertelt grappig en overtuigend en ze acteert goed met uitstekende dictie.  Het decor is sober met een leeg podium en slechts een langzaam afrollende donkerblauwe voile waar Fargan mee speelt. Ze staat er achter of ervoor, zit ertegen of kneedt de voile tot een zachte troostende doek. Als de eerste bliksemschicht aan het eind van de voorstelling verschijnt, is er herkenning. We zijn weer bij het begin en hebben godzijdank, de houvast weer terug.

Foto’s Milagro Elstak

14 -24 okt in Frascati Amsterdam, daarna on tour